Abdicatie

Er zijn twee wijzen waarop in Nederland aan de ambtsvervulling van het koningschap een einde kan komen: door overlijden en door abdicatie. Voor de erfopvolging staan beide gelijk. De Grondwet regelt nergens dát een Koning afstand kan doen. De bevoegdheid daartoe wordt verondersteld in Artikel 27. Anders dan in sommige monarchieën is 'afstand van de verwachting van het Koningschap', dat wil zeggen afstand voordat men Koning is geworden, in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Het effect kan echter wel worden bereikt door een persoon bij wet, aan te nemen met een tweederde meerderheid door de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal, van de erfopvolging uit te sluiten. Ook een persoon die het koningschap van de Koning kan beërven en die een huwelijk zonder bij de wet verleende toestemming aangaat, is van de erfopvolging uitgesloten (Art. 28). Formeel is dit geen afstand van de verwachting van het koningschap, maar materieel komt het daar wel op neer

5ab7132a-19b5-4a34-a715-30f5bd4876c8.jpg
Troonsafstand H.M. Koningin Wilhelmina, 4 september 1948

Voor het doen van afstand bestaan, anders dan bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, geen vormvereisten. De Grondwet beschouwt het besluit daartoe niet als een Koninklijk Besluit. Niettemin zal een Koning geen afstand doen zonder overleg met de minister-president of het kabinet. De vooralsnog laatste vorstin die afstand deed, was koningin Juliana (1980). Andere vorsten die abdiceerden waren koning Willem I (1840) en koningin Wilhelmina (1948). In geval van afstand (en van overlijden of van een huwelijk zonder toestemming bij de wet) van de Koning wordt de eerste in de rang van erfopvolging van rechtswege onmiddellijk Koning volgens het adagium: "De Koning is dood, leve de Koning!"

Koning Willem I deed op 7 oktober 1840 officieel afstand van de troon. Tijdens een eenvoudige plechtigheid in paleis Het Loo, die werd bijgewoond door de prinsen van het Koninklijk Huis, de ministers en enkele autoriteiten, tekende Willem I een 'acte van abdicatie' waarmee hij de kroon overdroeg aan zijn zoon Willem II. Hoewel de Grondwet op dit punt niets voorschrijft, is zowel de abdicatie van koningin Wilhelmina als die van koningin Juliana op dezelfde manier geschied, tijdens een plechtigheid in het Koninklijk Paleis te Amsterdam. Beide vorstinnen bekrachtigden de 'acte van abdicatie' met hun handtekening, waarna ook de aanwezige leden van het Koninklijk Huis en alle vergaderde autoriteiten hun handtekening plaatsten als getuigen.

Over de titel van een afgetreden vorst was tot voor kort niets voorgeschreven. Willem I nam in 1840 de titel aan van 'Z.M. Koning Willem Frederik, Graaf van Nassau'. Ook in het buitenland is het behoud van de koningstitel na abdicatie niet ongebruikelijk. Wilhelmina nam na de troonsafstand de titel 'Prinses der Nederlanden' en het predicaat 'Koninklijke Hoogheid' weer aan. Juliana volgde in 1980 haar voorbeeld, hoewel zij na haar overlijden op verzoek van koningin Beatrix weer wordt aangeduid als koningin Juliana. In de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis 2002 is vastgelegd dat een afgetreden Koning de titel 'Prins der Nederlanden' zal dragen.

Word nu lid van Oranjevereniging Irene! Nu lid worden!