Inhuldiging

Volgens de Grondwet vindt de beëdiging en inhuldiging van de Koning 'zodra mogelijk' plaats nadat hij is begonnen met de uitoefening van het koninklijke gezag. Nadat de Koning tijdens die in Amsterdam gehouden bijeenkomst trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt heeft gezworen, 'huldigen' de leden van de Eerste- en Tweede Kamer hem. De voorzitter van de Verenigde Vergadering leest een plechtige verklaring voor, die vervolgens door alle leden hoofdelijk wordt bevestigd. In die tegenwoordig namens de Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba uitgesproken verklaring 'ontvangen' de parlementariërs de nieuwe Koning 'in naam van de volkeren van het Koninkrijk' En zij zweren of beloven de onschendbaarheid van de Koning en de rechten van koningschap te handhaven.

De verplichtingen van de Koning en de Staten-Generaal worden niet in het leven geroepen door de eden of beloften die zij tijdens de inhuldigingsplechtigheid afleggen, maar alleen plechtig bevestigd. Daarmee heeft de inhuldiging vooral een ceremonieel karakter. In strikt juridische zin is de inhuldiging niet of nauwelijks van betekenis. Beëdiging en inhuldiging vormen geen voorwaarden voor de uitoefening van het koninklijke gezag. De rechten en verplichtingen van de nieuwe Koning vloeien niet voort uit een bepaalde handeling van hemzelf of van anderen, maar berusten op de Grondwet. Ze gaan onmiddellijk bij abdicatie over overlijden van zijn voorganger op hem over. Een 'troonzetting' of 'kroning' is in een op de Grondwet gebaseerde monarchie dan ook overbodig. De inhuldiging heeft derhalve een declaratoir karakter.

266px-Willem_I_in_kroningsmantel.jpg
Z.M. Koning Willem I (1772-1843)

Op 2 december 1813 aanvaardde Willem Frederik de soevereiniteit over de Verenigde Nederlanden, 'ingevolge de algemeen uitgedrukte begeerte des Volks'. Deze opdracht van de soevereiniteit bij acclamatie wenste Soeverein Vorst Willem I te zijner tijd 'door eene solemneele inhuldiging te bekrachtigen en te bekroonen', zo deelde hij zijn landgenoten mede. De opstellers van de Grondwet grepen in samenspraak met de Soevereine Vorst terug op oude vaderlandse tradities van wederzijdse eden van vorst en onderdanen. In de landsheerlijke tijd werd een nieuwe vorst in de uitoefening van zijn rechten erkend nadat hij had gezworen de fundamentele privileges en tradities van een gewest te zullen eerbiedigen. Voor die gebeurtenis werd het woord 'huldinge' of inhulding' gebruikt. Ook ten tijde van de Republiek was 'huldiging' een vertrouwde term geweest. De Prinsen van oranje werden bijvoorbeeld als Baron van Breda en Markgraaf van Veere en Vlissingen plaatselijk ingehuldigd. Het begrip 'inhuldiging' kreeg in 1814 een plaats in de Grondwet en werd daarmee verankerd in het Nederlandse staatsbestel.

De Grondwet van 1814 gaf Amsterdam de titel hoofdstad en schreef voor dat de inhuldiging daar moest geschieden. Dat de ceremonie in de Nieuwe Kerk plaats vindt berust niet op een grondwettelijk voorschrift. Voor die keuze werden in 1814 voornamelijk praktische gronden aangevoerd. In 1815, na de stichting van het (Verenigd) Koninkrijk der Nederlanden verdween de titel hoofdstad en de monopolie van Amsterdam op de inhuldiging uit de Grondwet. De plechtigheid zou voortaan 'onder den blooten Hemel' plaatsvinden, de ene keer in een door de Koning te bepalen Zuidelijke stad, de andere keer in Amsterdam. De inhuldiging van Willem I als Koning der Nederlanden vond dan ook op 21 september 1815 in de openlucht plaats in Brussel. Na de afscheiding van België kreeg Amsterdam in 1840 het alleenrecht op de inhuldiging terug. De bepaling over de blote hemel sneuvelde bij de grondwetsherziening; dat voorschrift was uitsluitend te danken geweest aan de Belgen. De inhuldiging van koning Willem II vond op 28 november 1840 dan ook plaats in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Van die locatie is sindsdien niet meer afgeweken.

42ee5829bcc11a50b7137ab7723aee8b.jpg
Inhuldiging van Z.M. Koning Willem II, 28 november 1840

Hoewel in de inhuldiging plaatsvindt in een kerk, is het formeel een staatkundige plechtigheid. Bij de inhuldiging van Willem I werd de staatkundige plechtigheid op diens verzoek gevolgd door een kerkdienst. Die formele scheiding was in 1840 niet in het programma aangegeven, waardoor de inhuldiging van Willem II – met psalmgezang, preek en zegenbede – volgens sommigen te veel het karakter kreeg had van een hervormde eredienst. Sinds de inhuldiging van koning Willem III komt er dan ook geen predikant meer aan te pas. Wel kent de inhuldiging nog steeds religieuze onderdelen: bij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 verliet de vorstin onder het zingen van gezang 293 de Nieuwe Kerk: "Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand..."

Bij het overlijden van koning Willem III werd zijn dochter Wilhelmina in 1890 Koningin der Nederlanden. Zolang Wilhelmina minderjarig was, nam haar moeder Emma het koninklijke gezag waar. Als regentes werd koningin-moeder Emma niet ingehuldigd, maar legde zij de grondwettelijk voorgeschreven eed van trouw aan Koningin en Grondwet af in de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal in Den Haag. De inhuldiging van koningin Wilhelmina vond in Amsterdam plaats op 6 september 1898. Nadat Wilhelmina op 4 september 1948 afstand had gedaan van de troon, werd haar dochter koningin Juliana op 6 september 1948 ingehuldigd, eveneens in Amsterdam. Op haar beurt deed Juliana op 30 april 1980 in het Koninklijk Paleis in Amsterdam afstand van de troon. Haar oudste dochter Beatrix werd nog die zelfde dag ingehuldigd. Ernstige rellen ontsierden de dag, maar konden de plechtigheid zelf niet verstoren.

Word nu lid van Oranjevereniging Irene! Nu lid worden!